Sociale afstand op de vierkante meter

hal WEA

Ik woon in een ‘doormen building’: de entree van het gebouw (56 appartementen) wordt beheerd door portiers die in NYC doormen worden genoemd. Het leek me een goede gelegenheid om nu eindelijk eens het boek Doormen (2005) te lezen, geschreven door socioloog Peter Bearman. Volgens Bearman zijn doormen sociologisch interessant omdat ze veel onthullen over de sociale structuur, met name de klassenstructuur, van de Amerikaanse samenleving – mooi onderwerp dus ook voor deze blog.

New Yorks verschijnsel

Bearmans eerste ontmoeting, in 1987, met een doorman verliep nogal awkward: hij zag de doorman aan voor een indringer en duwde de deur voor zijn neus dicht in een poging de ‘shadowy figure’ buiten te sluiten (tevergeefs natuurlijk). Voor iemand die niet bekend is met het fenomeen doormen zou het inderdaad verdacht kunnen overkomen, al die mannen die rondhangen bij de ingangen van gebouwen. Rondhangende mannen zijn meestal bad news, maar deze mannen hebben nu juist de taak om bad news buiten te houden.

De doorman is een typisch New Yorks verschijnsel; er zijn volgens Bearman meer doormen dan taxichauffeurs in NYC. Doormen zijn bovendien geconcentreerd in bepaalde buurten, waaronder de Upper West Side (‘UWS’ – alles moet hier worden afgekort), waar ik nu tijdelijk woon. Bijna alle gebouwen in de omgeving hebben een doorman – meestal mannen, hoewel de functie ook wel vervuld wordt door vrouwen. Als ik de paar honderd meter naar de dichtstbijzijnde supermarkt loop, passeer ik, naast mijn ‘eigen’ doorman, zeven doormen.

Nabijheid en afstand

Het gebouw waarin ik woon heeft drie doormen. Overdag op doordeweekse dagen zie ik meestal G. en soms R., in de avonden en weekenden werkt F. Doormen houden trouwens niet altijd de deur open, meestal niet zelfs. Vaak zetten ze de deur open of op een kier, en ze zijn niet altijd in de lobby omdat ze ook andere taken hebben zoals vuilnis ophalen en pakketjes bezorgen. Ze heten je ook niet altijd welkom. Doorman G. zegt weinig tot niets als ik langs loop, de conversatie beperkt zich tot ‘Hi how are you’ – meestal van mijn kant. Dat laat ik ook maar zo, misschien ook omdat je doorman F. juist niet kunt passeren zonder een uitgebreid gesprek. Hij past beter in het plaatje dat Bearman schetst: doormen zijn ‘people people’. Als F. er is, dan moet de lift op mij wachten, in plaats van ik op de lift.

F., die zelf in een studio in een buurt ten noorden van de UWS woont, is trots op zijn werk, dat hij al 33 jaar doet. Hij is naar eigen zeggen succesvol in zijn werk omdat hij toegewijd is en doorzettingsvermogen heeft. Hij weet bovendien, na al die jaren, hoe hij de activiteiten moet prioriteren, en ook dat is volgens hem onmisbaar in zijn werk. Hij schept er genoegen in het bewoners naar hun zin te maken en ervoor te zorgen dat ze zich thuis voelen. De grootste blijk van waardering van een bewoner kreeg hij nadat hij een boxspringmatras vanaf de 15e verdieping via de trap naar beneden droeg: de man drukte F. als dank vier biljetten van 50 dollar in de hand.

Sociale afstand

De sociale afstand – waaronder sociaaleconomische verschillen – tussen bewoners en de doormen is meestal groot: alleen rijke bewoners kunnen zich doormen veroorloven. Zelfs als de inkomensverschillen niet bijzonder groot zijn, zoals bij jonge bewoners, is er vaak een gapend gat tussen de levensloop en toekomstperspectieven van bewoners en doormen. Hoewel doormen niet weinig verdienen (op basis van een survey concludeert Bearman dat een doorman evenveel verdient als een beginnend Assistant Professor aan een New Yorkse universiteit), vereist het beroep geen bijzondere vaardigheden of een opleiding. Doormen staan als beroepsgroep qua status boven schoenpoetsers, maar onder winkelbedienden, politieagenten en farbrieksarbeiders, aldus Bearman. Hun lage status heeft er onder andere mee te maken dat ze een uniform moeten dragen en zich bezig houden met vuil – letterlijk, omdat ze de taak hebben de lobby schoon te houden en vuilnis op te halen, en in meer symbolische zin omdat ze een rol hebben in het buiten houden van de ‘onzuiverheden’ van de straat.

De interacties tussen doormen en bewoners worden gekenmerkt door ‘te veel nabijheid in een context van te veel sociale afstand’, schrijft Bearman. Binnen het beperkte aantal vierkante meters waarin de interacties plaatsvinden, worden de sociale verhoudingen steeds weer afgetast, onderhandeld en bevestigd. Beetje bij beetje ondervind ik hoe dat werkt. Doorman F. is zo nabij dat het me al snel duidelijk wordt dat privacy in de grote stad ook maar relatief is. Ik kan niet ongemerkt naar binnen glippen, F. vraagt me van alles en hij onthoudt het ook (bijvoorbeeld of ik al een slot voor mijn fiets heb gekocht, of ik al naar die winkel op de hoek ben geweest, of ik al eten heb besteld bij die ene Chinees). Hij maakt ook kenbaar dat hij me in de gaten houdt. Zo vroeg hij mij op een late zaterdagmiddag of ik ‘alright’ was, want hij had me de hele dag nog niet gezien – ik voelde me de meest luie persoon in Manhattan. Ging ik in mijn vorige Haagse buurt al niet meer in trainingsbroek naar de supermarkt, nu heb ik het gevoel dat ik ook mijn haar geföhnd moet hebben voor ik de deur uit stap.

Statussymbool

Ondanks al die praatjes, is de sociale afstand steeds duidelijk. F. positioneert zich – meer dan de andere doormen – in een onderdanige rol, waarbij ik me op zijn zachtst gezegd nogal ongemakkelijk voel. F. noemt mij ‘miss Gwen’ en biedt altijd aan mij te helpen – eten bestellen, fiets of tassen dragen, wat dan ook. Hij praat regelmatig over zijn werk, waarmee hij lijkt te willen benadrukken dat hij een professional is. Doormen willen bovenal gerespecteerd worden, aldus Bearman, en kunnen een arrogante houding van luie bewoners (lees: rijkelui die hun vermogen niet verdiend maar geërfd hebben) die niet eens hun eigen deur kunnen openen niet waarderen.

Bewoners willen niet alleen goede service, voor hen is het wonen in een doormen building ook een statussymbool. Enerzijds degradeert dat de doorman tot een consumptiegoed waarmee rijke mensen hun rijkdom kunnen etaleren. Anderzijds ontlenen doormen hun eigen status als professional nu juist aan het feit dat zij rijke bewoners bedienen en status verlenen. Bearmans analyse zette me aan het denken. Misschien moet ik mijn pogingen om aan F. duidelijk te maken dat ik heus niet zo’n rijke stinkerd ben en geen hulp nodig heb maar staken, en het statusspelletje (voor deze ene keer) meespelen.

Foto: lobby van mijn gebouw

What do you think?

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s